Ongeveer een jaar geleden wilde ik kijken of ik sneller zou kunnen tijdrijden door beter op mijn eten te letten.
Je kent het wel: zo’n standaard fietsersmenu. Veel groente, fruit en bergen pasta. En omdat ook de kwaliteit van het eten belangrijk is, hebben we een abonnement genomen op een biologisch groente-, en fruitpakket. Eén keer per week halen we twee tassen vol met groenvoer op. Onbespoten.
Wat je krijgt is altijd weer een verrassing. Nooit saai. Vooral de ‘vergeten groenten’ vallen bij mij erg in de smaak.
Ik moet zeggen dat het wel wat effect leek te hebben. En of het nu iets fysiologisch was – of misschien iets dat alleen maar tussen mijn oren zat- ik fietste sneller dan voorgaande jaren. Zonder harder of meer te trainen.
En dat smaakte naar meer.
Vervolgens ben ik diep in de materie gedoken en heb ik heel wat uren doorgebracht met het lezen van recent wetenschappelijk materiaal over voeding.
Met deze nieuwe input heb ik mijn menu een half jaar geleden opnieuw aangepast volgens een min of meer evolutionair principe.
De biologische groenten en fruit konden blijven, maar de granen, suikers en industrieel bewerkte spullen niet. Geen brood, pasta, rijst, aardappelen en plantaardige olie meer voor mij. Alleen nog maar het echte spul. Vlees, vis, groente, noten en fruit.
Na drie maanden op dit ‘dieet’ kon ik merkbaar harder fietsen.
En na een half jaar kan ik inmiddels zeggen dat dit een verdomd goede keuze is geweest. Mijn laatste randje vet is zo goed als verdwenen, maar ik ben geen grammetje afgevallen. Ik ben minder moe en slaap beter. Geen dip meer om vier uur ’s middags. En ik voel me fysiek een behoorlijk stuk sterker.
Een flink aantal mensen verklaren mij voor gek. Terwijl ze jaloers naar mijn geweldige lunch kijken, zeggen ze: “Al dat vlees, daar krijg je toch kanker van?” of “Je aderen slibben dicht van al dat vet” of “Onze verre voorouders gingen op veel jongere leeftijd dood.”
En dan steek ik mijn verhaaltje maar weer af. Best vermoeiend soms. En daarom schrijf ik het nu maar eens op.
